EEN WARM BOEK OVER JEZUS

Door Alie de Vos-Koelewijn

In 2004 schreef Jos Douma: Jezus ontdekken. Een 33 dagenboek waarin het kennen van Jezus centraal staat. Dit jaar is als praktisch vervolg daarop Jezus uitstralen (worden als Hij), uitgekomen. Hij wil hiermee christenen helpen om zó met Jezus te leven, dat anderen dat aan hen kunnen merken. Je zou het zo kunnen zeggen: Nadat je Jezus ontdekt hebt in je leven mag je Hem nu steeds meer ont-dekken in je leven voor je naaste.
Jos Douma zegt: 'Als we intens kijken naar de glorie van Christus, naar alles wat maakt dat Hij zo'n krachtige uitstraling heeft, dan zullen we op Hem gaan lijken.'
Aan het eind van zijn boek komt hij hierop terug en zegt: 'Als je ernaar verlangt om steeds meer naar het beeld van Christus te worden veranderd, begin dan echt bij het begin.' Dit begin, dat door het geloof werkelijkheid is: 'God heeft in ons hart het licht doen schijnen. Deze geloofswerkelijkheid mogen we ons steeds weer en steeds meer eigen maken.' Dit licht mag door het genadige werk van de Geest naar buiten komen.
Ondanks het vele goede in dit boek houd ik de vraag: Is dit het echte begin of is er een fundamenteler begin dat we nooit los kunnen laten in ons bewustzijn?

Daadwerkelijk
Het boek is systematisch opgezet in vier delen met elk zeven hoofdstukken.
Deel 1 geeft zeven overdenkingen van bijbelse uitdrukkingen over worden als Jezus. Douma roept de lezer op om de moed te hebben zich de hoofdstuktitels (bijvoorbeeld: Christus leeft in mij) eigen te maken. Niet te denken: 'Zo zou het eigenlijk moeten', maar Gods belofte te geloven dat dit steeds meer de werkelijkheid van je leven kan worden.
In hoofdstuk 1.1: 'Christus leeft in mij', zegt Douma: 'Als je ernaar verlangt om Jezus uit te stralen, is het wel nodig dat Hij daadwerkelijk in jou is. Dat zijn liefde en genade jouw hart hebben veroverd. En dat is nog een hele worsteling. Want er wonen nog zoveel andere dingen in ons hart, als Jezus er niet Heer mag zijn.' Dingen als ego‹sme, hoogmoed, angst, bezorgheid. Als we dat niet doden, stralen we vooral onszelf, ons oude leven, uit.
Ik denk dat deze waarheid fundamenteel is. Het moet dan ook erg duidelijk zijn wat hiermee bedoeld wordt. Het praktisch uitleggen van hoe je angst en bezorgdheid dood en aan het kruis slaat en hoe je Jezus dan Heer laat zijn in je leven, mag, wat mij betreft, meer woorden krijgen in dit boek. Doe ik dat zelf of verandert Jezus mij? En als het God is die mij verandert, wat is dan, concreet, mijn verantwoordelijkheid in dat proces? En welke plaats heeft deze worsteling in mijn leven?

Kwetsbaar
Het tweede deel van dit boek is gewijd aan zeven karaktertrekken van Jezus die 'door het geloof in Hem de onze zijn, en waarin we even zovele kansen hebben om Hem uit te stralen en zo God te laten zien aan mensen.'
Deel 3 bevat zeven praktijksituaties. Douma geeft hier handreikingen aan de lezer om hem te helpen nadenken over waar en hoe hij Jezus kan uitstralen.
Hij stelt zich hier kwetsbaar en bescheiden op. Want hij werkt niet met ongelovige collega's. Maar getrouwd is hij wel en ook dat is een praktijksituatie. Dit onderwerp beschrijft hij erg mooi en diep. Een man en een vrouw mogen elkaar liefhebben met de liefde van Jezus, die raakt nooit op. Dat is de basis van een christelijk huwelijk. Douma geeft in dit hoofdstuk goede en praktische aanwijzingen.
Deel 4 geeft de lezer zeven geestelijke oefeningen. De bedoeling is concentratie op Jezus Christus, het horen van zijn stem, het zien van zijn gezicht met als doel dat je steeds meer wordt als Hij. Met het Jezusgebed, hoofdstuk 4.4., het biddend uitspreken van de naam 'Jezus', komt Douma tot de kern van zijn boodschap. Totale concentratie op de persoon Jezus.

Offer
Mijn vraag blijft: kan ik hier beginnen? Bij de persoon van Christus? Hoef ik niet méér stil te staan bij het offer van Christus. Dat Hij mijn leven overgedaan heeft? Is dat niet altijd mijn startpunt en kom ik daar niet altijd weer terug? Met andere woorden: Hoe verhoudt zich het gedenken van het werk van Christus tot het gedenken van de van Christus? Welke positie krijg ik, als ik me richt op zijn werk? En welke plaats heb ik, als ik me richt op de persoon van Christus?