JEZUS ONTDEKKEN

Recensie in Nederlands Dagblad door ds. E.A. de Boer


Welke plaats heeft de Here Jezus in het geloofsleven? Catechisanten hebben vaak het idee dat Jezus met de hemelvaart in God is opgegaan. Jezus is Hij die in het verleden leefde. Heerlijk wat Hij gedaan heeft, maar wie Hij nu is blijft moeilijk te duiden. Voor deze jongeren – of wie zo ouder werd – is het boek van dr. Jos Douma een goede greep: Jezus ontdekken! Het is heerlijk als je de levende Heer nu mag leren kennen. Zijn woorden op schrift te lezen. Leren horen dat Hij het is die spreekt. Je aanspreekt in het heden van Zijn en mijn leven. Wat mij al lang geleden gegrepen heeft is Jezus’ woord: ‘Niemand komt tot de Vader dan door Mij’. Dat geldt voor elke dag, voor elk gebed.
Mooi is ook de symboliek van de getallen die structuur aan het boek geeft. Een 33 dagen boek naar de jaren van Jezus’ aardse leven. Met drie in- en drie uitleidende hoofdstukken. Met een middeldeel van drie keer negen (dat is drie tot de derde macht) hoofdstukken vanuit het perspectief van de drie Personen in God. Met precies in het midden, dag 17, het kruis van Christus. De structuur van de drietallen laat zien hoeveel liefde er aan de eer van de Naam in dit boek is gegeven. Ook in vormgeving mag God geëerd worden.
Het eerste negental dagen laat Jezus zien in zijn relatie tot de Vader. Het tweede laat Hem zien als de Levende. Het derde negental tekent Jezus in zijn verbinding met de Geest. De theologische structuur is mooi doordacht. Elk hoofdstukje schildert een facet van de persoon van Jezus en loopt uit op een opdracht om te doen, een tekst om te leren en een gebed om te bidden. Goed dat de lezer geactiveerd wordt. En geholpen woorden van aanbidding aan het eigen gebed te geven.

Een goede greep elke dag te besluiten met een tekst om te leren. Je eigen te maken en zelf te leren zeggen. Een Woord om te horen. Maar dan wil ik in dit boek wel Jezus’ woorden horen. En niet die van de schrijver, zoals in zijn uitleg van de gelijkenis van de verloren zoon. Spits daarvan is: ‘en die vader, die vader dat ben Ik’. Er is best iets voor te zeggen dat Jezus zich in gelijkenistaal voorstelt als een vader die Gods volk voor de maaltijd nodigt. Maar het gaat mij te ver als de schrijver zegt: ‘Sinds ik dit ontdekt heb, sinds ik Jezus heb horen zeggen: “En die vader, dat ben ik” …’ (45). Is dat het resultaat van meditatie die hij in zijn vorige boek wilde leren? Wat je in Gods woorden meent te horen, krijgt de kracht van ontvangen betekenis. Maar Geest en Woord horen nauwer bijeen.
Op wie mikt de schrijver? In ieder geval op christenen. Rond de ‘Ik ben’-uitspraken zegt de schrijver: ‘Jezus zegt niet minder dan “Ik ben … God!” En daar zijn we wellicht al een beetje aan gewend, omdat we al lang geloven dat Jezus God is’ (63). Het is dus niet geschreven om ook mensen Jezus voor het eerst te leren kennen. Het lijkt me het meest geschikt voor jonge mensen. De schrijfstijl is veelal aanspraak. Bijvoorbeeld: ‘op deze laatste dag van de 33 dagen wil ik met jou een paar zinnen lezen …’ (148). Het is de betrokken leraar de leerling zo graag meeneemt in de ontdekking van de woorden van de Here.

Toch is de schrijver is te nadrukkelijk aanwezig in dit boek. Logisch, hij wil de ontdekking van Jezus’ kracht en leven delen. De persoonlijke stijl zal velen aanspreken, omdat het past in onze tijd. Maar moet het boek met de auteur beginnen? Hij vertelt hoe hij in zijn proefschrift teveel gefocust was op de Geest en te weinig op Christus. Maar dezelfde gedrevenheid van de persoon van toen is in dit nieuwe boek dominant. Pas laat in zijn leven brak het nieuwe zicht op de persoon van de Heiland door. ‘Ik heb het ervaren als een volkomen nieuw begin’ (13). Die bekentenis zou met schulderkenning gepaard kunnen gaan: wat erg dat ik Jezus zolang niet gezien heb. Mijn vraag is: is het waar dat Jezus’ heerlijkheid pas zo laat doorbrak? Het vernieuwde inzicht brak door in de 40-dagentijd. Maar is dat niet juist de tijd waarin de kerk zich volkomen op de Zoon die Jezus heet concentreert? Dankzij die concentratie kon er een extra diménsie doorbreken.
Soms leidt het centraal stellen van Jezus tot overaccentuering. En wordt te weinig de leer van de Drie-eenheid gebruikt. Hoofdstuk 20 gaat over Christus, de Schepper. Dat kan je zo niet zeggen. In de eerste plaats is er onderscheid tussen de Zoon voor de mens wording en Jezus Christus, het vlees geworden Woord. In de tweede plaats zegt de Schrift dat alle dingen ‘door het Woord geworden’ en ‘in Hem geschapen zijn’. De Váder heeft door het Woord gecreëerd. Jezus is Heer van alle dingen gewórden. Maar het loopt uit op een kostbare zin: ‘Niets wordt zonder Christus. Zonder Christus wordt het ook nooit wat’ (96).

De charme van eenzijdigheid is duidelijkheid. Rode draad uit de heilsleer is: ‘Zo is dan wie in Christus Jezus is een nieuwe schepping’. Een heerlijk accent: de Geest wil mij de heiligheid van Christus schenken. Maar zoek dan ook evenwicht met een ander woord van Paulus: dat we zuchten bij onszelf in de verwáchting van het zoonschap, de verlossing van ons lichaam’ (Rom. 8:23). Dat is ook het zuchten van de Geest (dag 29). Het is ook schuldige zwakheid die de heerlijkheid en kracht van Jezus in ons hart blokkeert.
Persoonlijk bekering en geloof is belangrijk. Maar dan is meer nodig dan concentratie op het individu van de gelovige mens. Ik mis in dit boek een beetje dat Christus Heer van zijn kerk is. Dat elk mens, tot geloof geroepen, zijn plekje in de gemeente nodig heeft. Wordt de lezer niet teveel op zichzelf terug geworpen? Gelukkig eindigt het boek met tips hoe het te gebruiken: samen Jezus vinden en volgen. In een bijbelstudie of een Jezus-ontdekken-groep, of in een gemeenteproject.
Een schrijver die zijn geloofsgroei opschrijft, maakt zichzelf kwetsbaar. Daarom heb ik zijn getuigenis met respect gelezen. Ik wens zijn boek lezers toe die de heerlijke uitstraling van de Verlosser met hem ontdekken. Jos Douma wens ik toe dat hij een volgend boek schrijft over de Vader en zijn volk, Jezus de Heer van zijn gemeente en de Geest die haar tot het lichaam van Christus nú maken wil.

E.A. de Boer, Zeist.